mijnverleden

  • levensloop van de mijn

    De Steenkoolmijn van Houthalen was een van de zeven mijnen van het Kempens steenkoolbekken. Deze Kempense mijnzetel was gevestigd in Houthalen. Het was de mijn die het laatst begon met steenkoolproductie.

    In 1902 werd er een controleboring uitgevoerd te Houthalen door een groep geleid door André Dumont waarbij bleek dat er ook hier steenkool aanwezig was. De concessie Houthalen, 3250 hectare groot, werd op 6 november 1911 bij Koninklijk Besluit toegekend aan drie maatschappijen. In 1919 kochten zij ongeveer 100 hectare grond in Meulenberg, nu een wijk van Houthalen. Zij stonden hun recht om steenkool uit te baten af aan de S.A. Charbonnages de Houthalen waarvan de Société Générale de Belgique de grootste aandeelhouder was. Er werd verder gezocht naar de definitieve zetelplaats. Uiteindelijk koos men voor de aanleg van de uitbatingsplaats op een terrein langs de Grote Steenweg. Speculerende grondeigenaars dwongen de  maatschappij om de gronden via gedwongen onteigening te verwerven. De eigenaars kregen 15.000 BEF per hectare. In 1927 konden de concessiehouders definitief met de werkzaamheden van start gaan. 

    In 1927 verrezen twee houten boortorens, die tussen 1937 en 1939 vervangen werden door twee ijzeren schachtbokken van 71 m hoog. Tussen 1934 en 1936 lagen de werken stil als gevolg van de slechte economische toestand en gebrek aan kapitaal.

    Na een kapitaalsverhoging konden de werkzaamheden weer worden voortgezet. Ook hier koos men voor de bevriezing van de ondergrond om de schachten te kunnen afdiepen. Hoofdingenieur en technisch directeur Achille Ampe , een oud-leerling van André Dumont, ontwikkelde een bevriezingsmethode in één fase die sneller verliep dan die die in andere Limburgse mijnen werd toegepast. In februari 1939 werd de eerste steenkool naar boven gehaald. Ampe was de eerste Vlaamse directeur van deze mijn (van 1942 tot aan zijn dood in 1943).

    Vanaf de jaren veertig

    Iedere mijnschacht was voorzien van een lift (kooi) met zes vloeren die 74 personen kon vervoeren of twee kolenwagens per vloer die tezamen 12 ton steenkool en stenen naar boven brachten.

    In 1941 werkten 1872 arbeiders ondergronds, 604 bovengronds. 80 bedienden en 7 ingenieurs brachten het totaal aantal tewerkgestelden op 2563. Tijdens de Tweede Wereldoorlog trachtten de Duitsers via het tewerkstellen van Russische krijgsgevangenen de steenkoolproductie op peil te houden. In Houthalen werkten in augustus 1944 407 Russen. Hun rendement lag laag als gevolg van het taalprobleem, hun onervarenheid en slechte lichamelijke toestand door ondervoeding. Ze waren ondergebracht in 8 barakken van 34 m bij 6 m.

    Na de oorlog werkten, op last van maatregelen van Achiel Van Acker, op 31 december 1945 1135 Duitse krijgsgevangenen in de Houthalense mijn. In april 1946 ontdekte men een op 2 m na afgewerkte onderaardse gang (elektrisch verlicht) die ze hadden gegraven om het kamp te ontvluchten. Op 31 december 1946 werkten 222 veroordeelde collaborateurs in de Houthalense mijn.

    In 1949 stelde men vast dat de mijnterril in beweging begon te komen. Sommige dagen wandelde de terril enkele meters ver. Een huis moest worden geëvacueerd en werd even laten bedolven. Ook de verbindingsweg tussen Zonhoven en Houthalen werd bedreigd. De terril was te hoog in verhouding met zijn grondoppervlak.

    De gouden jaren en de fusie 

    De steenkoolproductie ging na de oorlog in stijgende lijn. Ze bedroeg per jaar, in ton: 

    • 1940: 329.000
    • 1950: 866.900
    • 1956: 1.281.000 (topjaar)

    Vanaf 1951 leverde een elektriciteitscentrale stroom. Ze was voorzien van drie koeltorens.

    De neergang van de mijn begon vanaf 1958 toen de steenkoolcrisis uitbrak. De vraag naar vette steenkool verminderde omdat steeds minder machines deze steenkool nodig hadden. Petroleum verving meer en meer de oude energiebron en de invoer van goedkope Amerikaanse en Poolse steenkool bracht de mijnen in de Kempen nog meer in de verdrukking. Houthalen kampte met nog bijkomende problemen zoals een gebrek aan steenkoolreserves en technische uitrusting. Steenstofbestrijding en gasopvang waren dan weer op topniveau. Na 1956 ging de productie in dalende lijn.

    In 1961 sloot de balans af met een verlies van 36 miljoen BEF. De Belgische regereing stelde een saneringsplan op dat rekening hield met besluiten, getroffen door de EGKS. Die voorzagen in de sluiting van verlieslatende mijnen. In 1962 hakte men de knoop door, een beslissing die nog een tijdlang geheim bleef.

    De mijn werd midden 1964 met de steenkoolmijn van Zolder gefusioneerd. Men legde in 1965 en 1978 ondergrondse verbindingen aan. Steenkool van Houthalen werd in Zolder bovengehaald, de schachten in Houthalen zorgden voor materiaalaanvoer, ventilatie en het ophalen van steenafval. Het personeel daalde voor het overgrote deel in Houthalen af.

    De sluiting van de mijn van Zolder in 1992 betekende ook het einde voor de mijn van Houthalen. 

  • mijnlampkapel

    mijnlampkapelDe mijnlampkapel is, de naam zegt het zelf, een kapel in de vorm van een mijnwerkerslamp. Een mijnwerkerslamp diende niet als verlichting maar gaf aan hoeveel procent mijngas er aanwezig was in de gangen. Als dit meer dan 5 % bedroeg, was er ontploffingsgevaar. Deze lampen waren dus zeer belangrijk voor de veiligheid van de mijnwerkers. Het is dus niet zo verwonderlijk dat de mijnlampen het symbool waren van veiligheid.

    De mijnlampkapel bevindt zich in de Bergbeemdenstraat, niet ver van de mijnschachten op de hoek met de Motmanstraat.

  • Sint-Barbarabeelden in Houthalen-Helchteren

    Sint-Martinuskerk

    Het Sint-Barbarabeeld in de Sint-Martinuskerk is een houten beeld van 65 cm hoog. Het is een gotisch beeld uit de jaren 1490-1500, uit de omgeving van Jan van Steffeswert. Vroeger was het beeld witgeschilderd, maar nu is de originele polychromie weer tevoorschijn gekomen, met levendige blauwe en rode kleuren.

    Sint-Barbara staat afgebeeld als een middeleeuwse edelvrouwe, met een kroon op haar samengebonden haren. In haar handen houdt ze haar klassieke attributen: een palmtak en een toren. Haar mantel is op de borst gesloten met een gesp en is gedrapeerd om haar armen en valt in zware plooien naar beneden.

    Sint-Trudokerk

    Het Sint-Barbarabeeld in de Sint-Trudokerk is een beschilderd gipsen beeld van na 1900. De heilige draagt een groen kleed met daarover een rode mantel. Het torentje aan haar voeten lijkt op een mijnlamp. 

    Sint-Lambertuskerk

    Het Sint-Barbarabeeld uit de Sint-Lambertuskerk is een langgerekt, gestileerd beeld, met lange, rechte plooien in haar witte kleed onder een rode mantel. Zij draagt in haar handen een varen en een minuscuul torentje.

    OLV van Banneuxkerk

    Het 20ste eeuwse Sint-Barbarabeeld uit de OLV van Banneuxkerk is monochroom grijsbruin geverfd. De heilige draagt een eenvoudig lang kleed, met een touw rond haar middel. In haar handen houdt ze een kruis en een palmtak. Schuin voor haar staat een torentje.

  • Wie is Sint-Barbara?

    Sint-Barbara is een heilige en zoals zo velen behoort haar leven tot de legenden. Haar leven is in de 2de helft van de 10de eeuw opgetekend door de hagiograaf Symeon Metaphrastes.

    Legende

    Barbara's vader schijnt een rijke man geweest te zijn die zijn dochter verplicht zou hebben in haar kamers te blijven op de bovenverdieping van zijn woning. Op die manier wilde hij de beeldschone Barbara beschermen tegen de opdringerige aanbidders, maar tegelijk ook tegen het christendom dat eind de derde eeuw nog verboden was. Ondanks het verzet van haar vader, een fanatieke christenvervolger in Nicomedia, zou Barbaraich hebben laten dopen. Nadien zou zij als teken van geloof en ter ere van de Heilige Drievuldigheid een derde raam laten kappen in haar kamer. Deze symbolische daad leidde tot de ontdekking van haar bekering. Uit vrees voor de woede van haar vader sloeg Barbara op de vlucht en vond ze een schuilplaats in een grot. Deze grot onstond op miraculeuze wijze toen zij radeloos voor die rotswand stond. Een herder die daarvan getuige was, vertelde het aan haar vader. Als straf voor dit verraad veranderde de herder in steen en zijn schapen veranderden in sprinkhanen. Haar vader nam haar terug mee naar huis. Ondanks beloften, geschenken en dreigementen weigerde Barbara haar geloof af te zweren. Daarop werd Barbara gerechtelijk veroordeeld. Beulen folterden haar met fakkels en rukten haar borsten af. Maar 's avonds kwamen engelen haar wonden genezen. Opnieuw werd Barbara naakt door de straten van de stad gedreven en met roeden geslagen. Deze roeden veranderden in pauwenveren die haar naaktheid bedekten. Ten einde raad trok de woedende vader zijn kromzwaard en doodde zijn dochter door onthoofding. Op weg naar huis werd hij door een blikseminslag getroffen en stierf.

Contactinformatie